“Waar is daar?” 

Vaak vinden zienden de omgang met mensen met een visuele beperking moeilijk omdat men eigenlijk niet weet hoe iemand met een visuele beperking het beste kan worden benaderd. Hieronder volgen tips voor omstanders en betrokkenen van visueel gehandicapten met als doel de omgang met deze doelgroep te verbeteren.

Is hulp altijd wenselijk?

Voor blinden en slechtzienden is het niet altijd gemakkelijk om op straat, in een station of waar dan ook de weg te vinden. Mensen die dat merken willen in veel gevallen graag helpen. Maar vaak durven zij dat niet omdat ze niet weten hoe, of omdat ze twijfelen of hulp wel gewaardeerd wordt. Soms gaan ze een blinde of slechtziende dan vlak op de hielen volgens om een dreigende botsing tegen een of andere hindernis (zoals een paaltje) te kunnen voorkomen. De bedoeling is natuurlijk heel goed. Vooral omdat mensen denken dat de “hulpbehoevende” hier niets van zal merken. Het tegendeel is echter waar. Blinden en slechtzienden nemen vanzelfsprekend beperkt waar met hun ogen, maar een blinde hoort, ruikt, en voelt wat er om hem heen gebeurt. Hierdoor merkt de blinde al snel op dat iemand zich in zijn nabijheid begeeft. Zijn waarneming kan hierdoor verstoord worden met als gevolg nervositeit.

Als u denkt dat iemand geholpen dient te worden, dan kunt u dat het beste direct vragen. Iemand direct bij de arm vastpakken en naar de overkant van de straat helpen terwijl diegene niet verplaatst wil worden kan vermeden worden door te vragen: “Kan ik u misschien helpen met oversteken?”  De visueel beperkte kan dan reageren met: “Nee dank u wel”. Een blinde of slechtziende kan natuurlijk ook zelf om hulp vragen.

Wanneer een visueel beperkte u vraagt om even te leiden, bijvoorbeeld bij het oversteken, in een restaurant of in een publieke ruimte, denk dan aan de volgende tips om de veiligheid te bevorderen:

  1. Bied de visueel gehandicapte een arm of een schouder aan.
  2. Ga tijdens het leiden ten allen tijde vóórop lopen. Dit geeft de blinde een vertrouwd gevoel.
  3. Denk tijdens het lopen om de snelheid waarmee u leidt. Visueel beperkten lopen uit voorzichtigheid gemiddeld langzamer.
  4. Bij het op- of afstappen van een stoep doet u er verstandig aan een waarschuwing te geven. Bijvoorbeeld door te zeggen: “opgelet, er volgt een opstapje naar boven / naar beneden “
  5.  Bij het betreden van een trap waarschuwt u met: “Opgelet, er volgt een trap naar boven / naar beneden” In dit geval legt u de hand van de visueel beperkte op de leuning. Waarschuw tevens als u het einde van de trap nadert.
  6. Let bij roltrappen extra goed op, aangezien het op- en afstappen een extra risico vormt.

2_0

“Veilig reizen met het openbaar vervoer. Ook bij drukte”

Het in- en uitstappen van een bus, tram, metro of trein kan vooral bij drukte nogal eens tot complexe situaties leiden. Dit is voor de “ziende” reiziger soms al een uitdaging, laat staan voor een visueel gehandicapte. Soms wordt de blinde of slechtziende hulp geboden door hem vlug aan zijn jasje het bomvolle treinstel in te trekken. Dit is echter onnodig. Een visueel gehandicapte dient de gelegenheid te krijgen om in- en uit te stappen. Hierbij is het van belang dat u diens hand op de handgreep van de deuropening legt. Dit geldt ook voor het instappen bij een taxi. Een hand op het geopende portier is vaak voldoende voor de oriëntatie. Bij een hoge instap en bij drukte doet u er verstandig aan de blinde of slechtziende reiziger op dezelfde manier te begeleiden als hierboven is beschreven.

Opgeruimd staat netjes.

Voor visueel beperkten is het van essentieel belang dat alles een vaste plaats heeft. Alleen op die manier kunnen zij dingen terugvinden. Vooral voor zij die alleen wonen of alleen op reis of op hun werk zijn, is dit van essentieel belang. Laat nooit kamerdeuren, kastdeuren, lades en portieren (half)open staan. Een visueel beperkte weet binnenshuis vaak exact een deur te vinden, maar wanneer deze (deels) open staat ligt het voor de hand dat men hier tegenaan loopt of mis grijpt.

Het is het beste dat een blinde of slechtziende zelf zijn spullen een plaats geeft. Ook buitenshuis is dit het beste. Men is vaak heel hulpvaardig met het aannemen en opruimen van eigendommen van een visueel beperkte, maar het houdt in veel gevallen in dat spullen zoek dreigen te raken.

“De bushalte is die kant op….”

Dit is een voorbeeld van een richtingaanduiding die voor een visueel beperkt iemand nietszeggend is. Het is beter om te zeggen: ” na drie meter rechtdoor bevindt zich aan uw linkerkant de bushalte”. Bij het bedienen aan tafel kunt u zeggen: “Uw glas staat rechts voor u”, U kunt ook het bedoelde voorwerp even aantikken zodat de visueel beperkte het (glas) door het geluid kan lokaliseren. U kunt het glas ook rechtstreeks in de hand aangeven.

“Meneer, wat wil die mevrouw drinken?!”

Blinden en slechtzienden willen graag zo normaal mogelijk behandeld worden. U kunt ze daarom aanspreken net als ieder ander mens. Men durft in het algemeen blinden en slechtzienden niet zo goed direct aan te spreken. Dat komt omdat men gewend is eerst oogcontact te hebben. Als dat niet mogelijk is vermijdt men al snel verder contact. In de praktijk lost men dit vaak op door een ander in plaats van de visueel gehandicapte aan te spreken. Bijvoorbeeld: “Zal ik even met die meneer meelopen?”. Op deze manier wordt de blinde of slechtziende als onmondig behandeld. Wilt u hem iets vragen of aanbieden, richt u zich dan ook tot hem. Noem diens naam als u die weet, of raak hem even aan, gevolgd met de vraag: “Zal ik even met u meelopen meneer (…)?”